Een struikeling over elektriciteitskabels op de markt: gemeente aansprakelijk?

11 oktober, 2016
Mark van Raak

Letselschade

Vrijdag 7 oktober jl. heeft de Hoge Raad een nieuw arrest gewezen op het gebied van aansprakelijkheid van wegbeheerders.

De zaak die aan de Hoge Raad werd voorgelegd, was gestart door een mevrouw die op de markt over elektriciteitskabels was gestruikeld. Deze kabels, die eigendom waren van de marktkraamhouders, liepen van een elektriciteitskast, die eigendom was van de gemeente, naar de overkant van de straat.

Door de gevallen mevrouw werden twee aansprakelijkheidsgronden aangevoerd (zij hield de gemeente aansprakelijk voor haar schade).

Risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder

De eerste aansprakelijkheidsgrond zag op de risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder voor gebrekkige wegen (art. 6:174 BW). Bij de beoordeling of een weg – waaronder ook het weglichaam en de weguitrusting worden gerekend – gebrekkig is, komt het kort gezegd aan op de vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar, deugdelijk is. Bij deze beoordeling is ook van belang hoe groot de kans van verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

De eerste door haar aangevoerde grondslag bood de gestruikelde mevrouw geen soelaas. De kabels waarover zij was gevallen werden namelijk niet aangemerkt als (onderdeel van de) openbare weg. Logischerwijs kunnen voorwerpen die niet tot de openbare weg behoren, niet onder de risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder worden geschaard.

Algemene zorgplicht van wegbeheerders

De tweede aansprakelijkheidsgrond zag op de ‘algemene zorgplicht’ van wegbeheerders (art. 6:162 BW). Wegbeheerders kunnen aansprakelijk zijn voor schade die ontstaat door de aanwezigheid van voorwerpen op de openbare weg indien zij met de aanwezigheid hiervan bekend zijn. Bij de beoordeling of een wegbeheerder in dit kader aansprakelijk is, is van belang (1) in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, (2) hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, (3) hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn en (4) in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.

Ook deze tweede aansprakelijkheidsgrond bood mevrouw geen uitkomst. De Hoge Raad heeft het oordeel van het gerechtshof namelijk in standgehouden, inhoudende dat de gemeente haar ‘algemene zorgplicht’ niet had geschonden (onder andere) omdat van bezoekers van een markt verwacht mag worden dat zij goed opletten waar zij hun voeten plaatsen en omdat niet eerder bij de gemeente was geklaagd over struikelgevaar. De vordering van de gestruikelde vrouw strandde dus (met name) op basis van het eerste criterium betreffende de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid.

Hoewel er genoeg voorbeelden zijn waarin vorderingen jegens wegbeheerders (wel) worden toegewezen, heeft de gemeente in deze zaak haar huid dus succesvol zelf ter markt gebracht: vooralsnog is zij niet aansprakelijk.