Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft dinsdag 10 maart jl. geoordeeld dat de Staat (als werkgever) aansprakelijk is voor de door vier voormalige ambtenaren van Defensie geleden schade ten gevolge van de blootstelling aan chroom-6.

De vier voormalig Defensie-medewerkers hadden de Staat aansprakelijk gesteld voor de gezondheidsschade die zij (stellen te) hebben opgelopen doordat zij tijdens hun werkzaamheden voor Defensie op de zogenoemde POMS-sites[1] in de periode van 1984-2009 zijn blootgesteld aan een groot aantal gevaarlijke stoffen, waaronder chroom-6.
Het gaat derhalve om de aansprakelijkheid van Defensie, en daarmee de Staat, als werkgever.
Uit het RIVM-rapport van 4 juni 2018 blijkt dat deze vier personen tijdens hun werkzaamheden direct zijn blootgesteld aan chroom-6 alsook dat bij alle vier sprake is ziekten/aandoeningen die mogelijk kunnen zijn veroorzaakt door chroom-6.
De Staat heeft, aldus het hof, niet alleen de zorgplicht als werkgever geschonden. Ook is sprake van een zogenoemd causaal verband – in de zin van c.s.q.n-verband – tussen de blootstelling en de schade. Hiermee wordt voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid van de Staat als werkgever.
De gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure worden toegewezen. In het vervolgtraject (tijdens de onderhandelingen over de omvang van de schade dan wel in een eventuele schadestaatprocedure) dient de omvang van de door de vier voormalig ambtenaren van Defensie geleden en nog te lijden (daadwerkelijke) schade te worden vastgesteld.
Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gaat ook nog in op de door de Stichting ingestelde collectieve actie (welke mogelijk is op grond van artikel 3:305a BW) ter verkrijging van een verklaring voor recht dat Defensie aansprakelijk is wegens schending van zijn zorgplicht als werkgever/opdrachtgever. Een dergelijke collectieve actie kan in een concrete situatie voordelen bieden ten opzichte van het procederen in individuele gevallen. Voor een collectieve actie is dan wel nodig dat een dergelijke verklaring voldoende concreet en voldoende bepaald is. Voldaan dient namelijk te worden aan de in artikel 3:305a BW gestelde ontvankelijkheidseis dat de gevorderde verklaring voor recht strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (in onderhavig geval: een ieder die op de POMS-sites werkzaam is geweest, ongeacht functie en ongeacht mate en duur van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, waaronder chroom-6). Het hof oordeelt dat de Stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van gelijksoortige belangen en dat de vordering onvoldoende concreet en onvoldoende bepaald is. De Stichting wordt dan ook niet-ontvankelijk in haar vorderingen verklaard.
De volledige uitspraak zijdens het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch kunt u hier lezen.
Woensdag 22 november 2017 schreef ik reeds een blog over ‘Het Tilburgs chroom-6-schandaal’. Deze blog is hier te lezen.
[1] https://www.rivm.nl/chroom-6-en-carc/chroomonderzoek-defensie/resultaten-chroom6poms/veelgestelde-vragen/poms
