“Ik was erbij, maar je moet niet bij mij zijn”

27 juni, 2018
Mark van Raak

Het is een bekend verweer dat wij in onze aansprakelijkheidsrechtpraktijk met regelmaat voorbij zien komen: er is schade, er zijn meerdere (potentiële) daders, maar iedereen stelt dat niet hij/zij doch iemand anders de schade heeft veroorzaakt. Alle mogelijke veroorzakers wijzen zogezegd naar elkaar, hetgeen zij soms behoorlijk lang volhouden.

Gedacht kan worden aan vechtpartijen op het sportveld, aan mishandelingen in het uitgaansgebied en aan molestaties door willekeurige groepen. In dergelijke situaties is het vaak moeilijk, als het al niet onmogelijk is, om achteraf vastgesteld te krijgen wie nu welke schade heeft veroorzaakt. Werken de groepsleden daarenboven ook nog eens tegen door de verantwoordelijkheid richting de andere leden te (willen) schuiven, dan krijgt een slachtoffer wellicht nooit bewezen wat er precies is gebeurd.

Ter voorkoming van onredelijke uitkomsten – en teneinde tegen te gaan dat het naar elkaar wijzen door groepsleden loont – heeft de wetgever de bewijslast voor benadeelden in gevallen van ‘groepsaansprakelijkheid’ verlicht. Zodanig verlicht dat slachtoffers de betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen niet hoeven te specificeren. Ook als niet kan worden vastgesteld dat een bepaalde groepsdeelnemer een bijdrage heeft gehad aan de directe veroorzaking van het toegebrachte letsel c.q. de ontstane schade, kan een deelnemer hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden.

Kort gezegd is voor het komen tot ‘groepsaansprakelijkheid’ vereist dat in ieder geval komt vast te staan dat aan de benadeelde op onrechtmatige wijze schade is toegebracht, dat de kans op het toebrengen van schade de groepsleden had behoren te weerhouden van deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen en dat de gedragingen in groepsverband aan het betreffende groepslid kunnen worden toegerekend – bij dit laatste kan worden gedacht aan het scheppen van een ‘psychische sfeer’ waardoor uiteindelijk één of meerdere (andere) groepsleden verder gaat(n) dan waarmee de groep in eerste instantie begon.

Is voldaan aan de wettelijke vereisten van ‘groepsaansprakelijkheid’ dan kan de benadeelde zijn/haar schade verhalen op iedere afzonderlijke groepsdeelnemer. Ieder lid van de groep is hoofdelijk aansprakelijk.

Om tot hoofdelijke aansprakelijkheid te komen hoeft overigens geen sprake te zijn van overleg en/of gecoördineerde handelingen. Evenmin hoeft er sprake te zijn van een gezamenlijke opzet op het toebrengen van schade. Sterker nog, om tot het oordeel te komen dat gehandeld is in groepsverband is niet nodig dat de diverse groepsleden elkaar vooraf kenden en/of vanaf het eerste moment deel uitmaakten van de betreffende groep.

Een hoofdelijk aansprakelijk gehouden groepslid dient de (toegekende) schadevergoeding volledig aan de benadeelde te voldoen. Hierop kan het betreffende groepslid vervolgens het verhoudingsgewijs teveel door hem/haar betaalde trachten te verhalen op de andere groepsleden. Dit betreft het interne verhaalsrecht, waarbij onderling in beginsel voor gelijke delen moet worden bijgedragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vereist.

Wilt u advies omtrent het bovenstaande of hebt u andere vragen? Neem dan contact op met Buro Letselschade*

* Buro Letselschade is een initiatief van Rijppaert & Peeters Advocaten