Welke termijn moet je als schuldeiser aan een consument-schuldenaar geven om rechtsgeldig aanspraak te kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten? Onlangs heeft de Hoge Raad hieromtrent uitspraak gedaan.
Veertiendagenbrief
In onze nieuwsbrief ondernemingsrecht van april 2013 hebben wij u er op geattendeerd dat, alvorens u als schuldeiser bij een consument-schuldenaar aanspraak kunt maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, u die consument-schuldenaar eerst een aanmaning dient te zenden.
In deze aanmaning dient u een betalingstermijn van minimaal 14 dagen én de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten – berekend conform de in artikel 2 van het ‘Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten’ opgenomen staffel – die worden gevorderd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft, op te nemen.
Deze aanmaning wordt ook wel de zogenaamde ‘veertiendagenbrief’ genoemd en dient u te sturen nadat uw consument-schuldenaar in verzuim is met de betaling.
In onze nieuwsbrief ondernemingsrecht van december 2014 hebben wij u geïnformeerd over het feit dat voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten door de consument-schuldenaar uitsluitend de veertiendagenbrief voldoende is. De schuldeiser behoeft de consument-schuldenaar hiervoor na de veertiendagenbrief dus niet nogmaals aan te manen.
Termijn
Maar wanneer vangt de termijn in de veertiendagenbrief nu precies aan?
De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld dat de veertiendagentermijn pas aanvangt op de dag ná die waarop de veertiendagenbrief door de consument-schuldenaar is ontvangen. Hierbij is van belang dat de schuldeiser zo nodig moet kunnen bewijzen dat en wanneer de consument-schuldenaar de veertiendagenbrief heeft ontvangen.
De vermelding in de veertiendagenbrief dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” is dus onjuist. Een veertiendagenbrief die niet voldoet aan de wettelijke eisen heeft tot gevolg dat de consument-schuldenaar op basis daarvan géén buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd wordt. De schuldeiser kan een onjuiste termijn niet repareren door nog een korte aanvullende termijn van bijvoorbeeld een week te geven. Met andere woorden: voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient er altijd één correcte veertiendagenbrief te zijn.
In rechtszaken waarin de consument-schuldenaar geen verweer voert (zogenaamde ‘verstekzaken’) mag er volgens de Hoge Raad in principe vanuit worden gegaan dat de veertiendagenbrief op de tweede dag na verzending is bezorgd (nota bene: een zondag, maandag of officiële feestdag tellen niet mee als tussenliggende dag of dag van bezorging). Gelet hierop zal in verstekzaken een in de veertiendagenbrief opgenomen ruimere betalingstermijn van bijvoorbeeld drie weken voldoende kunnen zijn.
Slotsom
Indien u van een consument-schuldenaar vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wenst te vorderen, dan is het van belang om hiermee rekening te houden.
U dient in voorkomend geval, wanneer dit door de consument-schuldenaar wordt betwist, te kunnen aantonen dat en wanneer de veertiendagenbrief door de consument-schuldenaar is ontvangen. Daarom is het raadzaam om de veertiendagenbrief aangetekend te verzenden.
Verder dient u in de veertiendagenbrief een zodanige termijn op te nemen dat de consument-schuldenaar (de volle) veertien dagen na ontvangst de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag zonder buitengerechtelijke incassokosten te betalen.
Het verdient dan ook aanbeveling om in de veertiendagenbrief een ruimere betalingstermijn dan veertien dagen te hanteren.
De uitspraak van de Hoge Raad is gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Heeft u vragen op het gebied van incasso en/of procesrecht? Ons Legal Team is u graag van dienst.

